Uitspraak
[woonplaats].
2 april 1985.
Hoge Raad
De verdachte werd door de rechtbank in hoger beroep veroordeeld wegens overtreding van bepalingen uit het Algemeen Reglement Vervoer (ARV) door zich onbehoorlijk te gedragen in de restauratie op perron 1 van het station Rotterdam Centraal en het niet opvolgen van een aanwijzing van de spoorwegpolitie om de restauratie te verlaten.
De verdachte had haar geschoeide voeten op een stoel gelegd en sprak agenten op luide toon uit met scheldwoorden. Ondanks meerdere verzoeken en aanwijzingen om de restauratie te verlaten, weigerde zij dit en werd zij aangehouden. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de aanhouding onrechtmatig was, het begrip onbehoorlijk gedrag te vaag was, en dat de restauratie geen deel uitmaakte van het station.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. De aanhouding was rechtmatig omdat de verdachte spoedig werd voorgeleid aan een hulpofficier van justitie. Het begrip onbehoorlijk gedrag is niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De restauratie werd als onderdeel van het station beschouwd, zodat het ARV van toepassing is. Het cassatieberoep werd verworpen en de geldboetes bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldboetes wegens onbehoorlijk gedrag en het niet opvolgen van aanwijzingen op het station Rotterdam Centraal.