Uitspraak
[woonplaats].
eerstevordering gevolg dient te worden gegeven;
9 april 1985.
Hoge Raad
De zaak betreft een bestuurder die op 30 oktober 1982 werd aangehouden wegens verdenking van rijden onder invloed. Na constatering van defecte verlichting en het ruiken van alcohol aan de adem van de bestuurder, werd een onderzoek ingesteld. De verdachte weigerde aanvankelijk mee te werken aan een bloedonderzoek, maar vroeg later alsnog om zo'n onderzoek. De politie weigerde dit omdat de weigering al was geaccepteerd.
Het hof veroordeelde de verdachte voor het niet meewerken aan het bloedonderzoek, waarbij het verweer dat de weigering niet 'echt' was, werd verworpen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de Wegenverkeerswet geen recht geeft op een bloedonderzoek na aanvankelijke weigering. De wet vereist niet dat medewerking aan een bloedonderzoek op eerste vordering moet plaatsvinden, maar legt wel een algemene verplichting op om aan het bevel tot bloedonderzoek te voldoen.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever bewust geen fysieke dwang bij bloedonderzoek voorschrijft en enige mildheid betracht. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel faalt en er geen reden is om ambtshalve te vernietigen. De strafrechtelijke veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens weigering mee te werken aan bloedonderzoek.