Uitspraak
31 mei 1985.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de fout van een ouder aan een minderjarig kind kan worden toegerekend, waardoor de vergoedingsplicht van een derde jegens het kind verminderd zou worden. De zaak betrof schade veroorzaakt door een hond van eiser aan het minderjarige kind van verweerster. De rechtbank en het hof hadden reeds geoordeeld dat eiser aansprakelijk was voor de schade.
De Hoge Raad bevestigde dat de fout van de ouder niet aan het kind kan worden toegerekend. Dit om te voorkomen dat het kind zowel zijn ouder als de derde tot schadevergoeding zou moeten aanspreken en om te voorkomen dat het risico van geldelijk onvermogen van de ouder op het kind zou drukken, dat zelf geen fout heeft gemaakt.
Ook het feit dat het kind vanwege zijn jeugdige leeftijd geen beroep op eigen schuld kan doen en dat de vordering mede strekt tot smartegeld, doet hieraan niet af. Evenmin is relevant of het kind al dan niet in gezinsverband met de ouder samenleeft. Het beroep van eiser werd daarom verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de fout van de ouder niet aan het minderjarige kind wordt toegerekend, waardoor de vergoedingsplicht van de derde jegens het kind niet vermindert.