Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Vormingsinrichting ‘’Nederheide’’ te Doetinchem.
aanmerkelijkde telastelegging onbegrijpelijk of in ieder geval hoogst onduidelijk gemaakt, aangezien in het licht van het voorgaande met minder dan aanmerkelijke verwaarlozing niet kan worden volstaan. Wat de functie van de haken is (vgl. HR 2 juni 1981, N.J. 1981, 485 en H.R. 7 dec. 1982, N.J. 1983, 391) is derhalve niet duidelijk. Op deze grond had het Hof de inleidende dagvaarding wegens onduidelijkheid nietig moeten verklaren, nu zij onzekerheid schept omtrent de mate van de ten laste gelegde schuld (Vgl. conclusie A-G van Oosten voorafgaand aan H.R. 8 dec. 1959, NJ 1960, 70).
eerstemiddel klaagt erover dat het hof de telastelegging ten onrechte niet nietig heeft verklaard wegens onduidelijkheid, nu in de telastelegging het woord ‘’aanmerkelijke’’ (adjectief bij verwaarlozing) tussen haken is geplaatst.
bisSr. behoeft een nadere feitelijke uitleg in de telastelegging, wil deze aan de verdachte duidelijk maken tegen welk verwijt hij zich moet verdedigen. Dààrop en niet op de omstandigheid dat de mate van schuld niet voldoende zou zijn uitgedrukt is in de zaak, die tot HR 8 dec. 1959, NJ 1960, 70 leidde, de telastelegging gevallen. De vraag die bij een kennelijk op art. 417
bisSr. geënte telastelegging aan de orde is, is dan ook of in de telastelegging de wettelijk geëiste merkelijke schuld voldoende feitelijk is omschreven. Verg. ook BVAR in zijn noot in NJ 1960, 70.
tweedemiddel verwijst naar de in hoger beroep overgelegde pleitnota, die ik evenwel niet bij de gedingstukken heb aangetroffen. Gaat men echter, hetgeen mij alleszins redelijk voorkomt, ervan uit dat verzoekers raadsman onder meer heeft aangevoerd wat in het middel is weergegeven, dan moet worden vastgesteld dat dit ‘’verweer’’ zijn weerlegging heeft gevonden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Verzoeker kocht, zoals uit zijn als bewijsmiddel gebruikte verklaring in hoger beroep blijkt, een caravan van twee hem onbekende mensen, ‘’hoewel er geen papieren, zoals een registratiebewijs, bij waren ()’’. Hiermee is de verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid vastgesteld. Daargelaten dat het hof over de prijs, die verzoeker betaalde, niets heeft vastgesteld, verandert de mededeling over de prijs niets aan verzoekers schuld.
derdemiddel bevat de stelling dat het hof nader had moeten aangeven waarom het van de in art. 417
bisSr. bedreigde vrijheidsstraffen — gevangenis en hechtenis — de gevangenisstraf koos.
17 december 1985.