Uitspraak
9 mei 1986.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de curator van een failliete vennootschap schadevergoeding van de Staat wegens renteverlies veroorzaakt door onrechtmatige belastingheffing. De Staat had op grond van een met de wet strijdige regeling belasting geheven, welke later door de Hoge Raad als onverbindend werd aangemerkt. De rechtbank en het hof hadden de vordering van de curator toegewezen en de Staat veroordeeld tot betaling van rente over het te veel betaalde bedrag.
De Hoge Raad bevestigt dat de Staat aansprakelijk is voor schade bestaande uit renteverlies die voortvloeit uit onrechtmatig handelen, namelijk het uitvaardigen van een onverbindende regeling en het heffen van belasting op basis daarvan. De Hoge Raad wijst het verweer van de Staat af dat de belastingwetgeving een dergelijke aansprakelijkheid uitsluit.
Ook het betoog dat alleen bij ernstige en duidelijke overschrijding van bevoegdheden sprake is van aansprakelijkheid wordt verworpen. De Hoge Raad stelt dat de Staat onrechtmatig handelt zodra hij een met een hogere regeling strijdig en onverbindend voorschrift uitvaardigt en daarop handelt. Het verweer dat de belastingplichtige uitstel van betaling had kunnen vragen, faalt eveneens omdat de Staat zelf de schade had kunnen voorkomen.
Het beroep van de Staat wordt verworpen en de Staat wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aansprakelijkheid van de Staat voor renteverlies door onrechtmatige belastingheffing.