Uitspraak
voor zoverdaar sprake is van oorlogswapens, voldoet aan de vereisten van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9)’’, etc. De Rechtbank verklaart bij haar uitspraak, waarvan beroep in cassatie, ‘’toelaatbaar de gevraagde uitlevering voor zover het verzoek betrekking heeft op de feiten onder a, b —
met uitzonderingvoor wat betreft het in bezit hebben van oorlogswapens — en c omschreven in het mandato di cattura van de rechter–commissaris bij de rechtbank te Napels van 17 mei 1985; verklaart voor het overige de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar’’, etc. Daarbij ziet de door de Rechtbank gedane toelaatbaarverklaring van de uitlevering met betrekking tot de feiten onder a) op hetgeen door haar wordt gekwalificeerd als: ‘’medeplegen van moord c.q. doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 289 jo Pro. artikel 47 c.q. artikel 287 juncto Pro artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht en medeplegen van poging tot moord c.q. doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto Pro artikel 45 en Pro 47 c.q. artikel 287 juncto Pro artikel 45 en Pro 47 van het Wetboek van Strafrecht’’. Aldus uitspraak doende verklaart derhalve de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar voor — met uitzondering van het eerste, als medeplegen van moord c.q. doodslag gekwalificeerd feit onder a) — andere feiten dan ten aanzien waarvan de Officier van Justitie de inbehandelingneming, door de Rechtbank, vorderde. Zulks lijkt zich slecht te verdragen met het vereiste, dat de vordering van de Officier van Justitie ter zake van welke feiten uitlevering wordt verzocht aan de opgeëiste persoon wordt betekend, waarvan immers niet anders dan een limiterende, althans in ieder geval specificerende werking kan uitgaan, alsook met het beginsel van lijdelijkheid van de rechter, waar de Rechtbank hier immers kennis neemt van méér en andere feiten dan de Officier van Justitie haar teneinde door het College in behandeling te worden genomen voorlegde;
29 april 1986.