Uitspraak
20 juni 1986.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde eiser schadevergoeding wegens letsel veroorzaakt door een val na een speelse duw van verweerder. De rechtbank stond toe dat eiser de toedracht van het gebeuren zou bewijzen, maar het hof vernietigde later dit vonnis en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat geen sprake was van een onrechtmatige daad, maar van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof, dat verweerder geen onrechtmatige daad had gepleegd, gebaseerd was op een feitelijke beoordeling van de omstandigheden. Het hof had vastgesteld dat verweerder niet had kunnen begrijpen dat de speelse duw tot verlies van evenwicht en val zou leiden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep omdat het middel deels uitgaat van andere dan vastgestelde feiten en daarmee niet slaagt. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding en bevestigde het oordeel van het hof dat er geen onrechtmatige daad was, maar een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Uitkomst: Hoge Raad wijst beroep af en bevestigt dat geen onrechtmatige daad is gepleegd bij val door speelse duw.