Uitspraak
27 juni 1986.
Hoge Raad
De milieuverenigingen Contact Milieubescherming Noord-Holland, Vereniging Milieudefensie en De Oeverlanden Blijven hebben de Gemeente Amsterdam gedagvaard om het storten van verontreinigde bagger in de Nieuwe Meer te staken. Zij stelden dat de gemeente geen vergunning had en dat het storten schadelijk was voor de belangen die zij behartigen.
De President van de Rechtbank wees de vorderingen af, waarna het Gerechtshof Amsterdam de milieuverenigingen niet-ontvankelijk verklaarde omdat zij geen concreet eigen belang hadden gesteld. De milieuverenigingen gingen in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en oordeelde dat milieuverenigingen wel bevoegd zijn om op te treden, omdat zij een bundeling van belangen vertegenwoordigen die anders moeilijk te beschermen zouden zijn. Ook wees de Hoge Raad op de wettelijke regeling die verenigingen een rol geeft in de administratieve vergunningprocedure, wat niet verenigbaar is met uitsluiting in kort geding.
De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling. De Hoge Raad reserveerde de kosten van het cassatieproces tot de einduitspraak en begrootte deze aan beide zijden.
Dit arrest bevestigt het belang van milieubeschermingsorganisaties in het procesrecht en versterkt de mogelijkheid tot efficiënte rechtsbescherming tegen milieuaantasting door overheden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat milieuverenigingen bevoegd zijn om tegen milieuaantasting door de gemeente op te treden en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.