Uitspraak
7 februari 1986.
Hoge Raad
Klager, geboren als Nederlander in Nederland, emigreerde in 1963 met zijn ouders naar de DDR, waar zijn vader en hij in 1964 de Duitse nationaliteit verkregen. Klager verloor daardoor volgens de Nederlandse wet het Nederlanderschap, omdat hij niet binnen een jaar na meerderjarigheid een kennisgeving deed om het Nederlanderschap te behouden.
Klager stelde dat de naturalisatie in de DDR geen rechtsgevolg kon hebben omdat de DDR toen niet door Nederland was erkend en dat de nationaliteitsregeling van de DDR volkenrechtelijk onrechtmatig was. Ook voerde hij aan dat het doen van de kennisgeving onmogelijk was vanwege de situatie in de DDR.
De Hoge Raad verwierp deze gronden. Erkenning van de DDR was niet vereist om het verlies van Nederlanderschap te doen intreden, en er was geen sprake van volkenrechtelijke onrechtmatigheid. Ook was niet aannemelijk dat het onmogelijk was om de kennisgeving te doen. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beklag wordt ongegrond verklaard en het verlies van Nederlanderschap door naturalisatie in de DDR wordt bevestigd.