Uitspraak
15 juli 1987.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de man bij de Rechtbank Zutphen om de alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw met ingang van 1 april 1986 op nihil te stellen. De Rechtbank wijzigde de alimentatie tot een maandelijkse bijdrage van 550 gulden, met een automatische jaarlijkse indexering. De man ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de beschikking van de Rechtbank bekrachtigde.
De man stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Hij voerde aan dat zijn pensioeninkomsten, die hij geheel voor het huwelijk en buiten Nederland had opgebouwd, niet in aanmerking moesten worden genomen bij de draagkrachtberekening. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat alle feitelijke inkomsten van de onderhoudsplichtige in beginsel moeten worden betrokken.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat de vrouw, ondanks haar AOW-uitkering en haar aandeel in de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning, nog behoefte heeft aan alimentatie niet onbegrijpelijk is. Dit oordeel is een waardering van feitelijke aard en kan in cassatie niet worden getoetst op juistheid.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de alimentatiewijziging blijft gehandhaafd.