Uitspraak
20 november 1987.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de curator van een man de rechtbank om de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw geheel met terugwerkende kracht te vernietigen. De rechtbank bepaalde een maandelijkse uitkering, waarna hoger beroep werd ingesteld door beide partijen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en wijzigde de uitkering.
Tijdens de procedure in hoger beroep werd vastgesteld dat de curator door de kantonrechter was gemachtigd om namens de man op te treden, waarbij het hof deze machtiging ook terugwerkende kracht toekende. Hierdoor werd het ontbreken van een machtiging in eerste aanleg niet als grond voor niet-ontvankelijkheid gezien.
De vrouw stelde dat de rechtbank ten onrechte de curator niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege het ontbreken van een machtiging, maar dit werd door het hof en de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de curator met de later verkregen machtiging ook in eerdere procedurefasen bevoegd was op te treden en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de curator met terugwerkende kracht bevoegd was op te treden.