Uitspraak
27 november 1987.
Hoge Raad
De Staat heeft [verweerder] gedagvaard wegens schadevergoeding na een aanrijding waarbij een dienstplichtig militair ernstig gewond raakte. De Staat vorderde betaling van verschillende bedragen die aan de militair waren uitgekeerd, verminderd met AWW-uitkeringen. De Rechtbank stelde de schuldverdeling vast en bepaalde de vorderingen. Het Gerechtshof wijzigde de schuldverdeling en verwees de zaak terug naar de Rechtbank voor verdere berechting.
In cassatie stond de vraag centraal of bij verhaal op grond van de VOA in geval van letselschade, analoog aan de regel voor overlijdensschade, de civiele schadevergoeding volgens art. 1407 BW Pro als een bedrag ineens moet worden beschouwd voor toepassing van art. 3 VOA Pro. De Hoge Raad verwierp het verweer van de Staat dat dit niet het geval zou zijn en bevestigde dat de wijze van uitkering door het verhalend lichaam niet beslissend is.
De Hoge Raad motiveerde dat de toepassing van de VOA praktisch eenvoudig moet blijven en dat er onvoldoende reden is om bij letselschade een afwijkende regel te hanteren ten opzichte van overlijdensschade. Ook bij blijvend letsel wordt de schadevergoeding doorgaans als een bedrag ineens vastgesteld, wat de regel ondersteunt. Het beroep van de Staat werd verworpen en de Staat werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staat en bevestigde dat bij verhaal op grond van de VOA de schadevergoeding als een bedrag ineens wordt beschouwd voor toepassing van art. 3 VOA.