Uitspraak
1 mei 1987.
Hoge Raad
In deze zaak staat de eigendomsvraag centraal van computerapparatuur die door IBM onder eigendomsvoorbehoud aan CHC is verkocht, welke apparatuur vervolgens door CHC aan LPN is doorverkocht. De rechtbank stelde LPN als eigenaar aan, het hof gaf de eigendom aan IBM. LPN stelde dat zij het bezit van de apparatuur had verkregen door een tweezijdige verklaring en erkenning van overdracht door Storkdata, de feitelijke houder.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het standpunt van LPN is verworpen, met name omtrent de levering longa manu door een beschikkingsonbevoegde. Het hof lijkt een onjuiste rechtsopvatting te hebben gehanteerd door te veronderstellen dat de overdracht niet kan plaatsvinden zonder feitelijke macht op het moment van de verklaring.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof te 's-Gravenhage voor een volledige herbeoordeling, waarbij ook de overige klachten van LPN kunnen worden behandeld. Tevens verklaart de Hoge Raad LPN niet ontvankelijk voor zover het beroep tegen CHC en Storkdata is gericht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.