Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 16 april 1985 betreffende de aan
[Z]
l. 692,--
Hoge Raad
Belanghebbende, een herenkapper die sinds 1979 een deel van een pand huurt en bewoont, deed voor 1980 aangifte van een belastbaar inkomen van fl. 9.559,16. De Inspecteur corrigeerde dit naar fl. 14.480, onder meer wegens te laag opgegeven privé-opnamen en niet aangegeven inkomsten uit onderverhuring.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende inkomsten uit onderverhuring had genoten van ten minste fl. 2.000, maar oordeelde dat de boekhouding betrouwbaar genoeg was om de winst uit onderneming niet te verhogen met fl. 4.000. Het Hof vond dat het verzwegen bedrag niet aanzienlijk was in verhouding tot het aangegeven inkomen en dat de aangifte daarmee voldeed aan de wettelijke eisen.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze beslissing, stellende dat het Hof ten onrechte niet had geoordeeld dat de aangifte niet voldeed. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het Hof terecht oordeelde dat het verzwegen bedrag relatief en absoluut gering was, en dat de aangifte als vereist kon worden beschouwd.
Hiermee werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van fl. 10.480. De Hoge Raad benadrukte dat bij een geringe belasting over het verzwegen bedrag en een niet aanzienlijke verhouding tot het aangegeven inkomen, de vereiste aangifte is gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vereiste aangifte is gedaan ondanks verzwegen inkomsten, waardoor het cassatieberoep wordt verworpen.