Uitspraak
7 oktober 1988.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de Amro-bank zich tegenover de curatoren van de Tilburgsche Hypotheekbank (THB) terecht kon beroepen op schuldvergelijking (compensatie) voor een bedrag van ƒ 2.099.222,01 dat zij had betaald op basis van een betalingsopdracht vlak voor de surséance van betaling van THB.
De feiten betroffen een betalingsopdracht van een notariskantoor aan Amro op 1 juli 1982, die Amro uitvoerde door debitering van de rekening van het notariskantoor en creditering van de rekening van THB. De surséance van betaling van THB was echter al op die dag ingegaan, zoals door de Nederlandse Bank aan Amro per telex was meegedeeld.
De Hoge Raad bevestigde dat de voorwaarden voor compensatie zoals gesteld in de Faillissementswet niet waren vervuld, omdat de schuld van Amro aan THB pas ontstond bij de creditering op 2 juli 1982, dus ná de aanvang van de noodregeling. Ook als men aanneemt dat door aanvaarding van de opdracht een verplichting tot creditering was ontstaan, stond het artikel 235 F. in verbinding met artikel 35 Wet Pro toezicht kredietwezen aan compensatie in de weg, omdat Amro niet te goeder trouw was gezien de kennis van de aanstaande surséance.
Het arrest verduidelijkt dat bankgiro-instellingen geen uitzonderingspositie hebben in het girale betalingsverkeer en dat het niet te goeder trouw handelen bij het aangaan van verplichtingen in het zicht van faillissement of surséance compensatie uitsluit. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Amro en bevestigde daarmee het arrest van het hof dat de vordering van de curatoren toewijst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Amro zich niet terecht kon beroepen op compensatie wegens het ontbreken van goede trouw.