Uitspraak
14 oktober 1988.
Hoge Raad
Eisers hebben WUH gedagvaard met het verzoek om kwijtschelding van hun vordering en het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, alsmede betaling van een geldsom met rente. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis en verklaarde eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Eisers stelden in cassatie dat WUH het beroep op het gezag van gewijsde uit een eerder arrest van het hof van 26 mei 1983 ten onrechte zou hebben prijsgegeven. De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit niet onbegrijpelijk heeft gelezen en dat het gezag van gewijsde terecht wordt ingeroepen.
Het geschil betrof onder meer de vraag of de suikerziekte van Wijnberg zo onbeduidend was dat WUH niet te goeder trouw kon zijn bij het beroep op artikel 5 van Pro de Algemene Bepalingen voor kwijtschelding. Het hof stelde vast dat het gezag van gewijsde ook betrekking heeft op deze rechtsbetrekking, ongeacht andere geschilpunten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president Snijders en raadsheren Bloembergen, Haak, Roelvink en Davids.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.