Uitspraak
20 mei 1988.
Hoge Raad
In deze civiele zaak vorderde Ve-Va Fabrikations GmbH betaling van een geldsom van verweerder. De rechtbank wees de vordering toe na bewijsopdracht, maar het hof vernietigde deze vonnissen en wees de vordering af. Ve-Va stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad beoordeelde of het hof onjuist had geoordeeld dat Ve-Va in hoger beroep geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod had gedaan. Het hof had vastgesteld dat het bewijsaanbod te vaag was en daarom niet als bewijsaanbod kon worden aangemerkt. Dit oordeel betrof een feitelijke uitleg van processtukken en was niet toetsbaar in cassatie.
Daarnaast stelde Ve-Va dat het hof ambtshalve een bewijsopdracht had moeten geven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiertoe niet verplicht was en ook niet verplicht was zijn beslissing hierover te motiveren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Ve-Va in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Ve-Va wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.