Uitspraak
20 mei 1988.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot faillietverklaring van een natuurlijke persoon die als bestuurder werd aangemerkt van een vennootschap. De rechtbank verklaarde verzoeker failliet, wat door het gerechtshof werd bekrachtigd. Verzoeker stelde beroep in cassatie tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat de procedure tot faillietverklaring valt onder het bereik van art. 6 EVRM Pro, wat het recht op openbare behandeling waarborgt. Echter, de behandeling kan in raadkamer plaatsvinden indien partijen daarmee instemmen. Dit vormvoorschrift kan niet leiden tot nietigheid als partijen zich niet tijdig verzetten.
Het hof had vastgesteld dat verzoeker als bestuurder van de vennootschap gelijkgesteld moest worden en dat er geen balans en boekhouding aanwezig waren, wat een vermoeden van onbehoorlijk bestuur en hoofdelijke aansprakelijkheid volgens art. 2:248 BW Pro oplevert. Verzoeker voerde aan dat het faillissement niet op basis van deze vordering mocht worden uitgesproken vanwege de summiere procedure en zware bewijslast, maar de Hoge Raad verwierp dit betoog.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat de schulden van de vennootschap niet voldaan konden worden uit vereffening van baten en dat het ontbreken van boekhouding een vermoeden van onbehoorlijk bestuur schept. Het hof hoefde zijn oordeel niet nader te motiveren omdat verzoeker geen tegenbewijs leverde. Ook de stelling dat bepaalde vorderingen betaald zouden worden, werd door het hof terecht niet gevolgd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de faillietverklaring van verzoeker op grond van art. 2:248 BW Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de faillietverklaring van verzoeker op grond van art. 2:248 BW.