Uitspraak
24 juni 1988.
Hoge Raad
Verzoekster vroeg de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten over het politieoptreden tijdens een geweldloze blokkade-actie op 19 september 1986 te Woensdrecht, georganiseerd door BIVAK. Zij wilde bewijs verzamelen dat het politieoptreden onrechtmatig was, onder meer omdat er geen noodzaak was tot geweld en het gebruikte geweld disproportioneel was.
De rechtbank wees het verzoek af omdat het niet duidelijk was welk persoonlijk belang verzoekster had en welke feiten zij wilde bewijzen. In hoger beroep werd deze afwijzing bekrachtigd. Het hof oordeelde dat het verzoek betrekking had op een omvangrijk feitencomplex en rechtsvragen, en dat het horen van minstens 21 getuigen onevenredig was en misbruik van bevoegdheid opleverde.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had een juiste belangenafweging gemaakt tussen het belang van verzoekster en het belang van de Staat bij een efficiënte procesvoering. De motivering van het hof was niet onbegrijpelijk, zodat het beroep faalde.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens misbruik van bevoegdheid en onevenredigheid.