Uitspraak
25 november 1988.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Centrum voor Onderwijsbegeleiding voor de Zaanstreek (SCOZ) en een vrouwelijke werknemer over de inschaling van haar salaris. De werknemer vorderde gelijkstelling met mannelijke collega’s met vergelijkbare kwalificaties, met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1980, en stelde dat de BBRA-inschalingsregels indirect discriminerend waren en nietig verklaard moesten worden.
De Kantonrechter stelde vast dat SCOZ in strijd met artikel 1637ij lid 1 BW had gehandeld door de werknemer vanaf 15 maart 1980 in een lagere salarisschaal te plaatsen. De sanctie bestond niet uit nietigheid van het beding, maar uit schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De rechtbank bekrachtigde dit oordeel en verwierp het incidentele beroep van SCOZ.
In cassatie bestreed SCOZ de gehanteerde maatstaf voor indirecte discriminatie en klaagde over motiveringsgebreken. De Hoge Raad oordeelde dat de maatstaf niet onjuist was en dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen en SCOZ werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat SCOZ onrechtmatig handelde door indirecte discriminatie bij salarisinschaling.