Uitspraak
23 september 1988.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de lozing van afvalzouten door Mines de Potasse d’Alsace (MDPA) in de Rijn, die het zoutgehalte van het boezemwater verhoogt dat door kwekers in Nederland wordt gebruikt voor irrigatie. De kwekers vorderden een verklaring voor recht dat deze lozingen onrechtmatig zijn en een schadevergoeding voor de geleden en nog te lijden schade sinds 4 oktober 1974.
De rechtbank en het hof oordeelden dat MDPA onrechtmatig handelt jegens de kwekers door het veroorzaken van een voorzienbare, voortdurende en betekenisvolle schade door zoutlozingen, ondanks dat MDPA handelt binnen de Franse vergunningen en het Bonner Zoutverdrag. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verweer af dat het Bonner Zoutverdrag bescherming biedt aan MDPA jegens de Nederlandse kwekers, omdat het verdrag alleen verplichtingen oplegt aan staten en niet aan individuele onderdanen.
De Hoge Raad benadrukt dat de zorgvuldigheid die MDPA jegens de kwekers moet betrachten afhangt van de aard, ernst en duur van de schade, en dat de belangen van de benedenstroomse gebruikers zwaar wegen. Ook bevestigt de Hoge Raad dat de Franse lozingsvergunning MDPA niet vrijwaart van aansprakelijkheid. De schadevergoeding wordt berekend naar rato van het aandeel van MDPA in de totale zoutbelasting van het boezemwater, inclusief kosten van maatregelen die de kwekers hebben getroffen om schade te beperken.
Het beroep van MDPA wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep. Dit arrest bevestigt de aansprakelijkheid van MDPA voor de onrechtmatige daad en de toewijzing van schadevergoeding aan de Nederlandse kwekers.
Uitkomst: MDPA handelt onrechtmatig door zoutlozingen in de Rijn en wordt veroordeeld tot schadevergoeding aan de kwekers vanaf 1974.