Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
‘’dat het primaire standpunt van de Inspecteur hierop neerkomt dat de door [X] aan [A] verstrekte gelden, gelet op het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder zij werden verstrekt, niet als leningen kunnen worden beschouwd, doch als informeel verstrekt kapitaal dienen te worden aangemerkt;
dat deze opvatting naar 's Hofs oordeel echter geen stand kan houden in het licht van de bij de parlementaire behandeling van artikel 9 - thans artikel 10 - van het ontwerp van de Wet op de vennootschapsbelasting (hierna: de Wet) gebleken bedoelingen van de wetgever;
dat toch uit evenbedoeld gedeelte van de parlementaire geschiedenis van de Wet valt af te leiden dat de wetgever een uitbreiding van het begrip kapitaalverstrekking ten opzichte van de situatie onder het Besluit vennootschapsbelasting 1942 heeft verworpen; dat het aanvankelijk in het wetsontwerp opgenomen artikel 9, lid 2 waarin onder bepaalde omstandigheden leningen als kapitaal werden aangemerkt, tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is teruggenomen; dat mede gelet op hetgeen bij die gelegenheid van de zijde van de bewindslieden in het mondeling overleg is opgemerkt moet worden aangenomen dat de op dit punt bestaande situatie is gecontinueerd (Verslag Mondeling Overleg II vraag 23 en vraag 65);
dat weliswaar bij de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer het kamerlid Scholten de vraag heeft gesteld of de nieuwe regeling van de deelnemersvrijstelling er niet toe zal leiden dat buitenlandse deelnemingen meer dan voorheen zullen worden gefinancierd met geldleningen, waarvan de verliezen - in tegenstelling tot verliezen op deelnemingen - in mindering op de winst kunnen worden gebracht, maar dat de staatssecretaris in zijn antwoord hierop te kennen heeft gegeven dat hij de gesignaleerde gevaren voorshands niet zo groot achtte, doch dat hij bereid was toe te zeggen om, indien dat nodig zou blijken, op dit punt een wetswijziging voor te stellen (Mondelinge behandeling Tweede Kamer, verg. 11 juni 1969, blz. 3182 en 3183/4);
dat een voorstel tot wetswijziging als hiervoor bedoeld nooit is ingediend;
dat derhalve - evenals voorheen onder het Besluit - voor de vraag of een geldverstrekking een geldlening of een kapitaalverstrekking is in eerste aanleg een formeel criterium dient te worden aangelegd, zodat in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de fiscale gevolgen;
dat deze regel slechts uitzondering lijdt ingeval, hetzij, alleen naar de uiterlijke schijn sprake is van een lening terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen, hetzij, de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar;
dat niet is gesteld of gebleken dat de tussen de contracterende partijen gesloten leningsovereenkomsten evenzovele schijnhandelingen zijn en in werkelijkheid een kapitaalverstrekking is overeengekomen; dat zulks ook onaannemelijk is, nu ten tijde van de totstandkoming van de betrokken leningen nog 24% van het aandelenkapitaal in handen was van derden;
dat ook het tweede, hiervoor genoemde uitzonderingsgeval zich hier niet voordoet;
dat toch de verschuldigdheid van rente en hoofdsom niet afhankelijk is gesteld van de resultaten van [A] en de uit hoofde van de verstrekte leningen bestaande schuldvorderingen niet zijn achtergesteld bij de vorderingen van andere, eveneens niet preferente crediteuren; dat ook overigens geen sprake is van abnormale of ongebruikelijke leningsvoorwaarden;
dat de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt stelt dat de afwaardering op de verstrekte leningen in feite moet worden gezien als een kostenpost vallende onder artikel 13, lid 4 van de Wet; dat hij dit subsidiaire standpunt heeft toegelicht met het betoog dat de geldstroom van [X] naar [A] in zijn geheel moet worden gezien als een betaling voor de reorganisatiekosten van laatstgenoemde;
dat echter, afgezien van het zich hier niet voordoende geval, dat de leningsovereenkomsten als schijnhandelingen dienen te worden aangemerkt, bezwaarlijk valt in te zien hoe de als lening verstrekte gelden, waarop door [A] rente is betaald, als kosten in vorenbedoelde zin kunnen worden aangemerkt;
dat het enkele feit dat de financiële situatie van [A] voorshands niet toeliet op deze leningen af te lossen, de daarbij verstrekte bedragen nog niet stempelt tot kosten in de zin van artikel 13, lid 4 van de Wet;
dat ook het subsidiaire standpunt van de Inspecteur derhalve geen doel treft''.