Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 29 oktober 1987 betreffende na te melden aan de stichting genaamd
[Z]opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de periode 1978-1982, omdat de Inspecteur meende dat de leidsters van een peuterspeelzaal in dienstbetrekking werkten. Het Gerechtshof bevestigde deze naheffingsaanslag, maar de Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug.
Het Hof te 's-Gravenhage oordeelde vervolgens dat de leidsters geen dienstbetrekking hadden, mede omdat de vergoedingen afhankelijk waren van het batig saldo na exploitatiekosten en omdat de leidsters als bestuursleden ook de vervanging regelden. Het Hof vond geen bewijs van een gezagsverhouding en achtte de omstandigheden zoals betaald zwangerschapsverlof en arbeidsongeschiktheidsverzekering onvoldoende om van een dienstbetrekking te spreken.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in, maar de Hoge Raad verwierp dit. De Hoge Raad vond dat het Hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat de door de Inspecteur aangevoerde argumenten onvoldoende waren om het oordeel te vernietigen. Daarmee bleef de naheffingsaanslag buiten toepassing en werd bevestigd dat de leidsters geen dienstbetrekking hadden in de zin van de loonbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de leidsters geen dienstbetrekking hadden en vernietigt de naheffingsaanslag loonbelasting.