3.6 Onderdeel (ii) voert aan dat het Hof het geschil niet in het juiste juridische kader heeft geplaatst door beslissend te oordelen
niet: of was komen vast te staan dat ‘’de schade is veroorzaakt door een onder de dekking van de polis vallend evenement’’, dus of voor de operatie een medische noodzaak aanwezig was (van welke vraag, naar het onderdeel terecht aanneemt, in cassatie moet worden verondersteld dat zij ontkennend valt te beantwoorden),
maar: of het Ohra nà de operatie nog vrij stond zich daarop te beroepen.
Uit hetgeen in 3.5.2 is overwogen volgt evenwel dat het Hof het geschil in het juiste juridische kader heeft geplaatst door ervan uit te gaan dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat, wanneer de verzekeraar zijn afwijzing op een bepaalde grond heeft doen steunen, het hem niet vrijstaat daarop terug te komen door haar nadien, wanneer die grond onjuist is gebleken, op een andere grond te baseren. 's Hofs oordeel dat zulks Ohra niet vrijstond, is kennelijk daardoor ingegeven dat het de bijzonderheden van dit geval als volgt heeft gewaardeerd:
(1°) toen [verweerster] haar vóór de operatie in verband met de daaraan verbonden kosten om een standpunt verzocht, heeft Ohra haar afwijzing ondubbelzinnig uitsluitend daarop gebaseerd dat het om een vormverbeterende ingreep ging;
(2°) [verweerster] mocht daarop afgaan toen zij vervolgens moest beslissen wat haar verder te doen stond nu (a) drie specialisten de operatie bleven adviseren, (b) een spoedige beslissing over het al dan niet opvolgen van dit advies was vereist in verband met het feit dat de chirurg naar wie zij voor de operatie was doorverwezen, maar kort op Curaçao was, en (c) haar te kennen werd gegeven dat geen sprake was van een vormverbeterende ingreep;
(3°) [verweerster] heeft toen — op basis van het door Ohra bij haar gewekte vertrouwen dat zij de operatiekosten vergoed zou krijgen, als zij achteraf zou aantonen dat de operatie niet een vormverbeterende ingreep was — gekozen voor het opvolgen van het advies van de haar behandelende specialisten;
(4°) tegen deze achtergrond gaat het niet aan dat Ohra zich, nadat [verweerster] de aan de operatie verbonden kosten heeft gemaakt, terugtrekt op de stelling dat voor die operatie een medische noodzaak ontbrak en daartoe mede beroep doet op de bij de operatie gebleken bevindingen omtrent de aard van het verwijderde weefsel. Een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het voorgaande brengt mee dat ook de klacht van onderdeel (ii) tevergeefs is voorgedragen.