ECLI:NL:HR:1989:AB8336

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 1989
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13538
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • De Groot
  • Verburgh
  • Boekman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over fatale termijn en nakoming in verbintenissenrecht

In deze zaak stond centraal de vraag of partijen een fatale termijn waren overeengekomen voor nakoming van een verbintenis, en of het gebruik van termen als 'omstreeks' of 'ongeveer' uitsloot dat de debiteur door enkel tijdsverloop in gebreke zou zijn. De vennootschap onder firma Handelsonderneming Bohei was door Business Centre Hupra B.V. gedagvaard wegens een vordering tot betaling.

De Rechtbank Arnhem wees de vordering gedeeltelijk toe, waarna Bohei hoger beroep instelde. Het Gerechtshof Arnhem bekrachtigde het vonnis. Bohei stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Bohei in de kosten.

De Hoge Raad bevestigde dat het enkele gebruik van termen als 'omstreeks' of 'ongeveer' niet uitsluit dat de debiteur door tijdsverloop in gebreke raakt, mits partijen geen andere duidelijke afspraken hebben gemaakt over het tijdstip van nakoming. Het middel van Bohei faalde op de gronden uiteengezet in de conclusie van het Openbaar Ministerie.

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van fatale termijnen in het verbintenissenrecht en benadrukt het belang van duidelijke afspraken tussen partijen over nakomingstermijnen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Bohei wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem wordt bekrachtigd.

Uitspraak

3 maart 1989
Eerste Kamer
Nr. 13.538
S.J.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap onder firma Handelsonderneming Bohei,
gevestigd te Arnhem,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. A.N. Huizenga,
t e g e n
Business Centre Hupra B.V.
gevestigd te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. M.J. Geus.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie – hierna te noemen Hupra – heeft bij exploot van 19 september 1980 eiseres tot cassatie – hierna te noemen Bohei – gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd Bohei te veroordelen tot betaling van f 16.180,--.
Nadat Bohei tegen die vordering verweer had gevoerd, en Hupra haar eis had verminderd tot f 15.259,-- heeft de Rechtbank bij vonnis van 6 januari 1983 de vordering toegewezen tot een bedrag van f 12.759,--.
Tegen dit vonnis heeft Bohei hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 24 maart 1987 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Bohei beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Hupra heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van het Openbaar Ministerie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Bohei in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hupra begroot op f 456,30 aan verschotten en f 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Mrs. De Groot, als voorzitter, Verburgh en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op
3 maart 1989.