Uitspraak
zelfs als dit niet onmiddellijk in het internationale recht te herkennen zou zijn— niettemin bestaat.’’
10 november 1989.
Hoge Raad
Stichting Verbiedt de Kruisraketten (SVK) vorderde bij de rechtbank dat de plaatsing en het gebruik van kruisvluchtwapens in Nederland onrechtmatig verklaard zouden worden, en dat de Staat der Nederlanden dit zou verbieden. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarna het hof het vonnis vernietigde maar de vorderingen van SVK afwees. SVK stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad onderzocht onder meer of de rechter verdragen mag toetsen aan andere verdragen en volkenrechtelijke normen, en oordeelde dat dit niet is uitgesloten. Vervolgens beoordeelde de Hoge Raad de stelling van SVK dat het voorhanden hebben en voorbereiden van inzet van kernkoppen uitgeruste kruisvluchtwapens onrechtmatig is. De Hoge Raad verwierp deze stelling omdat geen volkenrechtelijke regel bestaat die bezit van deze wapens verbiedt, en omdat het verdrag waarin de plaatsing is geregeld voorziet in een rechtmatige inzet ter afschrikking.
Ook het beroep op grondrechten zoals het recht op leven en het verbod op onmenselijke behandeling werd door de Hoge Raad afgewezen, omdat het risico van ongelukken of aanvallen onvoldoende is om onrechtmatigheid aan te nemen. De Hoge Raad bevestigde dat de Staat niet onrechtmatig handelt door medewerking aan de plaatsing en het gebruik van de wapens conform het verdrag. De vorderingen van SVK werden afgewezen en het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat de plaatsing en het gebruik van kruisvluchtwapens in Nederland niet onrechtmatig is.