Uitspraak
Eerste Kamer
Nr. 13.399
S.J.
wonende te [woonplaats] , kantoorhoudende te Tilburg,
- [F] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt,
VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,
advocaat: Mr. J.C. van Oven.
f2.684.354,-- zijnde de door de Ontvanger als gevolg van het onrechtmatig handelen zijdens Gerritse c.s. geleden schade.
Na een tussenarrest van 1 juli 1986, waarbij een comparitie van partijen was bevolen, heeft het Hof bij eindarrest van 27 januari 1987 ten principale het vonnis van de Rechtbank vernietigd en het door de Ontvanger primair gevorderde, met uitzondering van de schadevergoeding toegewezen. In het incidenteel appèl heeft het Hof het beroep verworpen.
nietertoe strekt hem, in geval van faillissement van de belastingschuldige, de positie te verschaffen van een schuldeiser die, voor zover het de in dat artikel bedoelde goederen betreft, buiten het faillissement staat in dier voege dat hij het recht heeft om steeds zelf die goederen te gelde te maken en aldus buiten de omslag van de algemene faillissementskosten te blijven.
wèlertoe strekt, kort gezegd, te waarborgen dat de fiscus zich op de in beslag genomen goederen overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof zij aan de belastingschuldige toebehoorden. Indien de fiscus in de uitoefening van dit verhaalsrecht wordt benadeeld door handelingen van de (zekerheids)eigenaar van die goederen, kan de Ontvanger - aangezien ook voor het bestaande recht moet worden aangenomen dat voor de toepassing van art. 1377 BW Pro onder schuldenaar mede is begrepen hij op wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen (Art. 3.2.11c NBW) - tegen die handelingen van de (zekerheids)eigenaar op de voet van art. 1377 BW Pro opkomen. Dat geldt ook voor het geval het gaat om handelingen verricht met of jegens de curator in het faillissement van de belastingschuldige (zie voormeld arrest van 28 oktober 1988, RvdW 1988, 179).
De Rechtbank heeft beide vorderingen afgewezen, maar het Hof heeft de primaire vordering toegewezen. Daartegen keren zich de middelen in het principaal cassatieberoep.
Opmerking verdient nog dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de Ontvanger niet de bevoegdheid toekwam "tot het inroepen van de Pauliana" omdat "de curator noch een van zijn medegedaagden" is te vereenzelvigen met de schuldenaar ("immers, zij zijn geen debiteur ter zake van de belastingvorderingen van de Ontvanger"). Daartegen richtte zich de tweede appelgrief van de Ontvanger. Tegen de achtergrond van de gedingstukken moet uit rov. 3 van 's Hofs tussenarrest worden afgeleid dat de Ontvanger, wellicht op een dwaalspoor gebracht door HR 12 april 1985, NJ 1986, 808, deze grief heeft ingetrokken.
Hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de strekking van deze overeenkomst en omtrent de inhoud van de rechtshandelingen die ingevolge deze overeenkomst hebben plaatsgevonden tussen telkens verschillende partijen bij die overeenkomst, laat geen andere conclusie toe dan dat de partijen bij deze overeenkomst zich daarmede noch uitsluitend, noch zelfs in de eerste plaats ten doel hadden gesteld het gelegde bodembeslag te frustreren (vgl. HR 12 april 1985, NJ 1986, 808). Daarom kan niet worden gezegd dat deze overeenkomst deswege een ongeoorloofde oorzaak heeft, zodat in het midden kan blijven of, zou dan wel het geval zijn, daaruit zonder meer zou voortvloeien dat zulks de voldoening van de vorderingen van de zekerheidseigenaren door de curator "vitieert". Grond (C) kan 's Hofs beslissing dus niet dragen.
's Hofs voormelde vaststellingen wettigen evenmin zijn oordeel dat deze voldoening slechts in schijn heeft plaatsgevonden: in die vaststellingen ligt in tegendeel besloten dat sprake is van een voldoening die feitelijk heeft plaatsgevonden en door alle betrokkenen werkelijk was gewild, immers deel uitmaakte van een tussen hen overeengekomen serie transacties die, voor zover thans van belang, ertoe strekte de zekerheidseigenaren in plaats van de gefailleerde vennootschappen een nieuwe debiteur te verschaffen. Grond (A) kan 's Hofs beslissing dus ook niet dragen.
Het middel betoogt terecht dat een en ander blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In een geval als het onderhavige is immers beslissend hoe tenslotte wordt beslist in het bodemgeschil: blijkt uit de einduitspraak in dat geschil dat [B] niet het recht had medewerking aan de veiling te weigeren, dan heeft zij door haar weigering in beginsel onrechtmatig gehandeld. Voorts moet alsdan, evenzeer in beginsel, worden aangenomen dat zij aan die weigering schuld heeft, nu zij wist, althans behoorde te weten dat zij deze baseerde op - kort gezegd - een voorlopige maatregel (vgl. HR 16 november 1984, NJ 1985, 547). Van bijzondere omstandigheden die te dezen een ander oordeel zouden wettigen, maakt het Hof geen melding.
12 mei 1989.