Uitspraak
27 januari 1989.
Hoge Raad
De gemeente heeft op grond van artikel 58b van de Algemene Bijstandswet (ABW) een verzoek ingediend tot terugvordering van bijstand die aan verzoeker was verleend. Verzoeker, een werkloze werknemer, had inkomsten uit werkzaamheden als beheerder van een gokwagen en een schiettent verzwegen, terwijl hij verplicht was deze op te geven.
De Kantonrechter heeft het verzoek van de gemeente toegewezen op basis van verklaringen van getuigen en een rapport van de sociale recherche, waaruit bleek dat verzoeker zich niet beschikbaar hield voor de arbeidsmarkt en inkomsten verzweeg. De Rechtbank Maastricht heeft deze beslissing bekrachtigd, waarna verzoeker beroep in cassatie instelde.
De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet werkloos was in de betreffende periode en dat de voorwaarde van opgave van inkomsten zoals bedoeld in artikel 58b ABW rechtsgeldig is. De grieven van verzoeker falen, en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand wegens verzwegen werkzaamheden wordt bevestigd.