Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1989:AD0609

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 1989
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
7393
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bloembergen
  • Haak
  • Roelvink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging alimentatieverplichting bij faillissement vennootschap

De vrouw verzocht bij de rechtbank wijziging van het echtscheidingsvonnis waarbij haar alimentatievordering was afgewezen. Zij baseerde dit op het faillissement van de vennootschap waarvan zij groot aandeelhouder en zaakvoerster was, waardoor haar financiële situatie was gewijzigd. De rechtbank wees haar verzoek toe, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, stellende dat het faillissement geen relevante wijziging van omstandigheden was omdat de vrouw nooit inkomsten uit de vennootschap had ontvangen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door de gewijzigde omstandigheden niet te toetsen aan de situatie ten tijde van het oorspronkelijke vonnis, maar aan wat destijds door de vrouw was aangevoerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.

De Hoge Raad bepaalde tevens dat iedere partij de eigen kosten van het cassatiegeding draagt. Hiermee is bevestigd dat het faillissement van de vennootschap een mogelijke relevante wijziging van omstandigheden kan zijn voor de alimentatieplicht, ook als destijds geen inkomsten werden genoten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar een ander gerechtshof.

Uitspraak

27 januari 1989
Eersta Kamer
Rek.nr. 7393
Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
Wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. H.H. Barendrecht,
t e g e n
[de man],
Wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. R. Laret.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 1 juni 1987 heeft verzoekster tot cassatie, nader te noemen de vrouw, zich gewend tot de Rechtbank te 's-Hertogenbosch met het verzoek tot wijziging van het vonnis van deze Rechtbank van 5 juli 1985, waarbij tussen de vrouw en verweerder in cassatie, nader te noemen de man, de echtscheiding werd uitgesproken, in dier voege dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud wordt bepaald op ƒ. 1.500,-- per maand.
Nadat de man tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 21 oktober 1987 het verzoek toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 24 maart 1988 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank vernietigd en het verzoek alsnog afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Zich beroepend op een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW Pro heeft de vrouw wijziging verzocht van het vonnis van de Rechtbank van 5 juli 1985, bij welk echtscheidingsvonnis de alimentatievordering aan haar was ontzegd.
Deze ontzegging berustte, kort weergegeven, op de grond dat de vrouw, die als groot aandeelhoudster en als zaakvoerster bij de vennootschap naar Belgisch recht [A] ‘’het heft volledig in handen’’ had, niet aannemelijk had gemaakt dat zij geen inkomsten had, noch dat zij zich in redelijkheid geen inkomsten zou kunnen verwerven.
In het onderhavige geding heeft de vrouw aangevoerd dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in de omstandigheid dat de vennootschap [A] op 9 april 1987 in staat van faillissement is gesteld.
Het Hof heeft het verzoek van de vrouw afgewezen op de grond dat de vrouw zich blijkens de processtukken steeds op het standpunt heeft gesteld dat zij nimmer inkomsten heeft ontvangen uit de vennootschap [A], zodat het faillissement niet als ‘’een relevante wijziging van omstandigheden’’ kan worden aangemerkt.
3.2 's Hofs oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de beantwoording van de vraag of zich een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 heeft Pro voorgedaan, had het Hof behoren uit te gaan van de omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld bij de rechterlijke uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, in plaats van de thans aangevoerde omstandigheden te toetsen aan hetgeen destijds, in het geding dat leidde tot die uitspraak, door de vrouw is aangevoerd maar door de rechter niet als vaststaand is aangemerkt.
Het middel is derhalve gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 maart 1988;
verwijst de zaak naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Mrs. Bloembergen, als voorzitter, Haak en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op
27 januari 1989.