ECLI:NL:HR:1989:AD5719

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 1989
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13444
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Snijders
  • Bloembergen
  • Haak
  • Roelvink
  • Davids
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 StageverordeningArt. 5 lid 2 StageverordeningArt. 11 AdvocatenwetArt. 13 AdvocatenwetArt. 67 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting stagiaire advocaat praktijk te oefenen onder toezicht patroon zonder sluiting beroep

De zaak betreft een geschil tussen een advocaat in opleiding en de Nederlandse Orde van Advocaten over de toepassing van de Stageverordening, met name de artikelen die de verplichting regelen dat een stagiaire praktijk moet uitoefenen onder toezicht van een patroon en bij deze patroon kantoor moet houden.

De eiser vorderde onder meer dat de Orde een patroon zou aanwijzen met vrijstelling van de kantoorhoudingsplicht, en dat bepaalde verordeningen buiten werking zouden worden gesteld. Zowel de rechtbank als het hof verwierpen deze vorderingen. Het hof oordeelde dat artikel 4 lid 2 van Pro de Stageverordening niet leidt tot sluiting van het beroep en dat de raden van toezicht niet onredelijk mogen weigeren een vrijstelling te verlenen.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de Stageverordening de bevoegdheid van de raden van toezicht regelt om te verlangen dat een stagiaire zich inspant om een patroon te vinden alvorens vrijstelling te verlenen. De verplichtingen zijn in lijn met de Advocatenwet en de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verplichting voor stagiaires om praktijk te oefenen onder toezicht van een patroon met kantoorhoudingsplicht blijft gehandhaafd.

Uitspraak

27 januari 1989
Eerste Kamer
Nr. 13.444
S.J.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk: Mr. J.J.C. Klep,
thans : Mr. F.W. van der Zwan,
t e g e n
De Nederlandse Orde van Advocaten,
gevestigd te 'sGravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. H.P. Utermark.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - hierna te noemen [eiser] - heeft bij exploit van 13 december 1985 verweerster in cassatie - verder te noemen de Orde - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat 1. de Orde zal worden veroordeeld om het beroep, door [eiser] ingesteld bij de Algemene Raad van de Orde, alsnog gegrond te verklaren of te doen verklaren en een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans niet langer te weigeren een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling als voormeld, althans de verordeningen nrs. 15 en 16 d.d. 25 november 1983 respectievelijk 30 maart 1984, zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 13 april 1984, nr. 75, in te trekken of te doen intrekken, althans te schorsen of te doen schorsen, zulks op verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat de Orde in gebreke blijkt aan het te wijzen vonnis te voldoen; 2. althans de verordeningen nrs. 15 en 16 buiten werking zullen worden gesteld.
Nadat de Orde tegen die vorderingen verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 4 februari 1986 de eis tot gegrondverklaring van het beroep op de Algemene Raad (met aanwijzing van een patroon cum annexis) en de eis tot schorsing, intrekking of buitenwerkingstelling van artikel 4 lid 2 van Pro de Stageverordening afgewezen en, alvorens verder te beslissen, de behandeling aangehouden voor een onderzoek naar de in het vonnis met betrekking tot artikel 4 lid 3 en Pro artikel 5 leden Pro 3 en 4 van de Stageverordening omschreven vragen.
Tegen dit vonnis heeft de Orde hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarna [eiser] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij arrest van 24 april 1987 heeft het Hof in het principaal hoger beroep het vonnis van de President, voor zover daarbij de zaak is aangehouden voor een nader onderzoek, vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [eiser] tot intrekking, schorsing of buitenwerkingstelling van artikel 4 lid 3 en Pro artikel 5 leden Pro 3 en 4 van de Stageverordening afgewezen, en in het incidenteel hoger beroep het vonnis van de President, voor zover daarbij de vorderingen van [eiser] zijn afgewezen, bekrachtigd en het beroep voor het overige verworpen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Orde heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is schriftelijk toegelicht door [eiser] en voor de Orde door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het geschil van partijen heeft betrekking op de door het college van afgevaardigden van de Orde op 8 januari 1955 (Stcrt. 1955, 11) vastgestelde Stageverordening, zoals deze is komen te luiden na de vaststelling van de verordeningen nr. 15 van 25 november 1983 (Stcrt. 1984, 75) en nr. 16 van 30 maart 1984 (Stcrt. 1984, 75).
[eiser], die zich als advocaat en procureur heeft doen inschrijven bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, verlangt van de raad van toezicht van de orde van advocaten in het arrondissement 's-Hertogenbosch dat deze op de voet van artikel 5 lid 2 van Pro de Stageverordening een patroon aanwijst met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden. De raad van toezicht heeft dit geweigerd. Van die weigering is [eiser] in beroep gekomen bij de algemene raad van de orde.
De algemene raad heeft het beroep ongegrond verklaard, onder meer overwegende dat in het systeem van de Stageverordening de raad van toezicht eerst aan de beoordeling van het verzoek om bemiddeling c.q. tot aanwijzing van een patroon, zoals bedoeld in artikel 5, kan toekomen wanneer de stagiaire aan zijn verplichting uit artikel 4 lid 2 heeft Pro voldaan, en dat [eiser] aan die verplichting niet blijkt te hebben voldaan.
In kort geding heeft [eiser] geëist hetgeen hiervoor onder 1 is weergegeven.
3.2.1. Onderdeel 1 van middel I klaagt tevergeefs over onbegrijpelijkheid van de door het Hof in rov. 8 van zijn arrest gegeven uitleg van hetgeen [eiser] in het incidenteel appel heeft aangevoerd ter bestrijding van het oordeel van de President dat artikel 4 lid 2 van Pro de Stageverordening niet het karakter draagt van een sluiting van het beroep.
Mede gelet op de in het onderdeel geciteerde passages van [eiser] memorie van antwoord en pleitnotities, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof het standpunt van [eiser] aldus heeft opgevat dat volgens [eiser] artikel 4 lid 2 sluiting Pro van het beroep inhoudt omdat de raden van toezicht ongelimiteerd en onredelijk kunnen blijven weigeren vrijstelling te verlenen van de verplichting om bij de patroon kantoor te houden. Evenmin is het onbegrijpelijk dat het Hof die door [eiser] voor mogelijk gehouden gedragslijn van de Raden van toezicht als misbruik van bevoegdheid heeft aangeduid.
3.2.2. Onderdeel 2 faalt omdat het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest berust. Het hof heeft immers slechts tot uitdrukking gebracht dat en waarom het door [eiser] gehanteerde argument voor zijn stelling dat art. 4 lid 2 op Pro sluiting van het beroep neerkomt, niet opgaat.
3.2.3. Onderdeel 3 betoogt dat art. 4 lid 2 van Pro de Stageverordening in strijd is met een aantal bepalingen van de Advocatenwet en de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden. Dat betoog kan niet als juist worden aanvaard.
Anders dan [eiser] aanvoert, leidt het bepaalde in art. 4 lid 2 niet Pro tot sluiting van het beroep. Deze bepaling geeft slechts aan de raden van toezicht de bevoegdheid te verlangen dat de stagiaire zich voldoende inspant om een patroon te vinden bij wie hij kantoor kan houden, alvorens hem in aanmerking te laten komen voor een vrijstelling van de verplichting om bij de patroon kantoor te houden.
Onjuist is ook de stelling dat het systeem vervat in de artikelen 1, 3, 4, 5, 7 en 11 van de Stageverordening in strijd is met de bevoegdheden en verplichtingen neergelegd in art. 11 en Pro art. 13 resp Pro. 67 Advocatenwet en in de artikelen 14 en 15 van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden. De in de Stageverordening vervatte verplichtingen van de stagiaire laten de bevoegdheden en verplichtingen omschreven in evengenoemde wetsbepalingen onverlet.
3.3.1. Onderdeel 1 van middel II faalt reeds omdat niet valt in te zien dat iemand die het beroep van advocaat wil gaan uitoefenen, genoopt zou zijn een eigen kantoor te vestigen alvorens een patroon te zoeken bij wie hij kantoor kan houden. Van een uit art. 4 lid 2 Stageverordening Pro in verbinding met art. 1 Advocatenwet Pro voortvloeiende noodzaak tot kantoorverplaatsing is dan ook geen sprake.
3.3.2. Anders dan in onderdeel 2 wordt betoogd, biedt art. 28 Advocatenwet Pro een toereikende grondslag voor het vaststellen van een verordening welke advocaten die nog niet over voldoende kennis en ervaring beschikken, verplicht de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een patroon en bij de patroon kantoor te houden. Die verplichtingen zijn in het belang van de goede uitoefening van de praktijk als bedoeld in dat wetsartikel.
Voor zover de bedoelde verplichtingen de advocaat zouden nopen tot het aangaan van een overeenkomst met zijn patroon, is zulks het gevolg van de in vrijheid gedane keuze van het beroep van advocaat. Er is geen sprake van strijd met enig beginsel als in de zienswijze van het onderdeel aan art. 1374 BW Pro ten grondslag ligt.
3.4.1. Onderdeel 1 van middel III klaagt tevergeefs over schending van art. 348 Rv Pro. Het Hof heeft immers kennelijk het in het onderdeel bedoelde verweer van de Orde niet als een nieuw verweer opgevat, hetgeen in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk is.
3.4.2. Onderdeel 2, dat zich kennelijk richt tegen 's Hofs rov. 18, mist doel omdat het voorbijgaat aan de gedachtengang van het Hof. Het hof heeft immers het ontbreken van een spoedeisend belang hieruit afgeleid dat de beslissing van de algemene raad niet zou worden aangetast door een vaststelling dat, zoals [eiser] meent, art. 4 lid 3 en Pro art. 5 leden Pro 3 en 4 van de Stageverordening onverbindend zijn.
3.5. Uit het voorgaande volgt dat geen der middelen doel treft, zodat het beroep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Orde begroot op ƒ 456,30 aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Haak, Roelvink en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op
27 januari 1989.