Uitspraak
14 april 1989.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Landelijke Studenten Vak Bond (LSVB) en de Staat der Nederlanden over de toepassing van overgangsregels in de Harmonisatiewet met betrekking tot studiefinanciering. De LSVB vorderde dat de Staat studiefinanciering zou blijven verstrekken aan studenten die onder de oude regeling vielen.
De President van de Rechtbank te 's-Gravenhage wees de vordering toe, maar de Staat stelde beroep in cassatie in. De Hoge Raad behandelde onder meer de vraag of art. 120 Grondwet Pro de rechter verbiedt wetten te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen en het Statuut voor het Koninkrijk.
De Hoge Raad bevestigde het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet Pro, ook ten aanzien van toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen die niet in verdragen zijn neergelegd. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat toetsing aan het Statuut voor het Koninkrijk niet is toegestaan. Het beroep van de LSVB op internationale verdragsbepalingen werd verworpen omdat deze niet direct verbindend zijn.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het vonnis van de President en wees de vordering van de LSVB af, waarbij de kosten van het geding deels werden toegewezen en deels gecompenseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de vordering van de LSVB af wegens het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet.