Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 26 augustus 1988 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Q].
Hoge Raad
Belanghebbende was op 1 januari 1982 ingeschreven als zakelijk gerechtigde van een onroerend goed, hoewel hij op grond van een verkoopovereenkomst sinds 1 mei 1980 het economische eigendom en risico aan de koper had overgedragen. De levering vond pas in 1986 plaats. De gemeente legde belanghebbende een aanslag onroerendgoedbelasting op, welke na bezwaar werd gehandhaafd.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als zakelijk gerechtigde op de peildatum het genot van het onroerend goed had, ondanks de vrijwillig aanvaarde beperkingen in de gebruiksmogelijkheden. Het Hof oordeelde dat het objectieve karakter van de belasting meebrengt dat dergelijke beperkingen de belastingplicht niet uitsluiten.
Belanghebbende stelde dat het niet de bedoeling van de wetgever was om belasting te heffen van zakelijk gerechtigden zonder feitelijk genot. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de belastingplicht blijft bestaan, ook als de zakelijk gerechtigde het genot beperkt heeft aanvaard. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het regresrecht op de koper geen grond voor vrijstelling van belastingplicht is.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het Hof dat belanghebbende belastingplichtig was voor het jaar 1982 als genothebbende krachtens zakelijk recht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende als zakelijk gerechtigde belastingplichtig blijft ondanks vrijwillig aanvaarde beperkingen van het genot.