In deze strafzaak werd de verdachte, een kantinemedewerkster in het Paleis van Justitie, door het hof veroordeeld voor verduistering van geld dat zij in haar bediening onder zich had. De verdachte had het koffiewater verdund met water om meer koffie te kunnen verkopen en de opbrengst daarvan in eigen zak gestoken. De tenlastelegging betrof primair verduistering van geld, subsidiair verduistering van koffie(-bestanddelen) en aanverwante goederen.
De verdediging stelde dat niet het geld, maar de koffie(-bestanddelen) waren verduisterd en dat het saldo dat als verduisterd werd opgegeven, juist het gevolg was van die verduistering van goederen. Het hof verwierp dit verweer, maar de Hoge Raad oordeelde dat het saldo alleen onder zich kon zijn gekomen door het plegen van verduistering van goederen en niet van geld. Hierdoor was de primaire tenlastelegging van verduistering van geld innerlijk tegenstrijdig.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verklaarde de dagvaarding nietig voor het primaire onderdeel. De zaak werd terugverwezen naar het hof om het hoger beroep opnieuw te behandelen met inachtneming van deze overwegingen. De conclusie van het Openbaar Ministerie tot verwerping van het cassatieberoep werd niet gevolgd.