Uitspraak
uit te breiden.
2 februari 1990.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de verweerder schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatig verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen door ambtenaren, die hebben geleid tot een onjuiste veronderstelling omtrent een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. De rechtbank verklaarde de vordering niet-ontvankelijk, maar het hof vernietigde dit en oordeelde ontvankelijkheid en toewijsbaarheid van de vordering.
De Staat stelde beroep in cassatie in en voerde aan dat de verweerder tegen de afwijzende beschikking van de Directeur van het GAB beroep had kunnen instellen op grond van de Wet Arob en dat dit de enige weg tot redres was. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat de burger zowel de administratieve weg kan bewandelen als civielrechtelijk schadevergoeding kan vorderen.
De Hoge Raad benadrukte dat het volgen van de administratieve procedure niet uitsluit dat de burger ook civielrechtelijk redres zoekt. De civiele rechter kan oordelen over onrechtmatigheid van het handelen van ambtenaren en toekenning van schadevergoeding, ook als de administratieve rechter de beschikking niet vernietigt. Het beroep van de Staat werd verworpen en de Staat werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat burger zowel administratief beroep kan instellen als civielrechtelijk schadevergoeding kan vorderen wegens onrechtmatige daad.