In deze zaak vordert de verweerder vergoeding van schade wegens wanprestatie en onrechtmatige daad na een rugoperatie uitgevoerd door de eiser, een orthopedisch chirurg. De operatie uit 1978 verliep moeizaam en leidde tot ernstige pijnklachten bij de verweerder, die meerdere vervolgoperaties en behandelingen onderging.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de eiser zich schuldig had gemaakt aan een onrechtmatige daad en veroordeelde hem tot schadevergoeding. De eiser stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep grotendeels faalt. Het hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd door de zorgvuldigheid te toetsen die van een redelijk bekwaam specialist mag worden verwacht. Ook zijn de procesregels niet geschonden en is het oordeel van het hof over de redelijkheid van de behandeling en de kosten daarvan niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad verklaart de eiser niet ontvankelijk voor het beroep tegen het tussenarrest en verwerpt het beroep voor het overige. De eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.