Uitspraak
26 januari 1990.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de werknemer vergoeding van diverse bedragen waaronder immateriële schadevergoeding op grond van wanprestatie na reeds een vergoeding te hebben ontvangen in een ontbindingsprocedure. De Rechtbank Amsterdam wees een deel van de vorderingen toe, maar bepaalde dat immateriële schadevergoeding slechts kon worden toegekend voor schade die niet reeds in de ontbindingsprocedure was vergoed.
De Hoge Raad oordeelt dat het verschil in rechtskarakter tussen een discretionaire vergoeding bij ontbinding en een schadevergoeding wegens wanprestatie toewijzing van beide vergoedingen mogelijk maakt, mits rekening wordt gehouden met reeds toegekende bedragen. Tevens wordt het loonbegrip in art. 1638ii lid 1 BW (oud) ruim uitgelegd als het gehele overeengekomen loon, inclusief emolumenten en vergoedingen.
Verder vernietigt de Hoge Raad het vonnis van de Rechtbank Amsterdam en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens wordt geoordeeld dat de kosten van het geding in reconventie ten laste van Nilsson & Lamm moeten komen.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.