Uitspraak
22 juni 1990.
Hoge Raad
In deze zaak vordert [eiseres] B.V. schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatig handelen bij de invordering van vennootschapsbelasting over 1980 en 1981. Na een onderzoek door de Rijksaccountantsdienst werden aanslagen opgelegd en dwangbevelen uitgevaardigd, gevolgd door beslagleggingen op auto's, onroerend goed en bankrekeningen. Hoewel een compromis werd bereikt waarbij het uiteindelijk te betalen bedrag lager was, stelt [eiseres] dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld.
De Rechtbank en het Gerechtshof wezen de vordering af. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de civiele rechter de juistheid en wettigheid van belastingaanslagen niet mag toetsen vanwege de formele rechtskracht van aanslagen en het stelsel van de Invorderingswet. Wel kan worden onderzocht of de Staat in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft gehandeld.
De Hoge Raad oordeelt dat de feiten, waaronder het achterhouden van ontvangsten buiten de boekhouding en onduidelijkheden in de administratie, rechtvaardigen dat de aanslagen en invorderingsmaatregelen zijn genomen. Het beroep faalt dan ook. De Hoge Raad verwerpt het principale beroep en veroordeelt [eiseres] in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld bij de invordering van belastingaanslagen.