Uitspraak
25 mei 1990.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vorderde Mediameervoud B.V. de executie van een verstekvonnis te doen staken en daarbij werd door de President van de Rechtbank Amsterdam een dwangsom opgelegd, hoewel deze niet was gevorderd. Het hof bekrachtigde dit vonnis, maar de Hoge Raad stelde in cassatie dat de rechter in kort geding geen dwangsom ambtshalve mag opleggen zonder dat een partij dit vordert.
De Hoge Raad baseerde zich op de uitleg van art. 1 lid 1 van Pro de Eenvormige wet betreffende de dwangsom en art. 611a lid 1 Rv, en bevestigde dat deze bepalingen ook gelden voor de rechter in kort geding. De memorie van toelichting en eerdere jurisprudentie ondersteunen dat de rechter niet ambtshalve een dwangsom mag opleggen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van dit oordeel. Tevens werd Mediameervoud veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat een rechter in kort geding geen dwangsom ambtshalve mag opleggen zonder vordering van een partij.