Uitspraak
7 december 1990.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen eiser en zijn overleden echtgenote, die hij kort na het huwelijk op geraffineerde wijze heeft omgebracht. Eiser vorderde aanspraak op de helft van het vermogen uit de gemeenschap en een deel van de nalatenschap.
De rechtbank wees de vorderingen van eiser af en verklaarde hem onwaardig tot erfgenaam, een oordeel dat door het hof werd bekrachtigd. Het hof stelde vast dat eiser uitsluitend met het oog op het vermogen van zijn echtgenote was getrouwd en dat hij het voornemen had haar te doden.
De Hoge Raad bevestigde dat onder deze bijzondere omstandigheden, mede gelet op algemene rechtsbeginselen en de eisen van redelijkheid en billijkheid, eiser geen aanspraak kan maken op de bevoordeling uit de huwelijksgemeenschap. De toepassing van art. 1:100 lid 1 BW Pro kan in uitzonderlijke gevallen worden beperkt, zoals hier het geval is.
Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat eiser geen aanspraak kan maken op de huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap vanwege zijn moord op de echtgenote.