Uitspraak
e, tweede lid, Rv. de voorlopige voorziening als bedoeld in art. 825
baanhef en onder
chaar kracht heeft verloren.
14 december 1990.
Hoge Raad
De vrouw vorderde bij de rechtbank echtscheiding en alimentatie van de man. De rechtbank wees de echtscheiding toe en legde een alimentatieverplichting van ƒ 500 per maand op, met jaarlijkse vermindering. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de man tot betaling van ƒ 1.000 per maand alimentatie.
De man stelde vervolgens cassatie in tegen het arrest van het hof. De vrouw vroeg incidenteel om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het hofarrest, omdat het eerdere vonnis van de rechtbank niet meer krachtens voorlopige voorziening uitvoerbaar was. De man verzette zich tegen deze vordering en stelde onder meer voor een borgtocht als voorwaarde te stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad op grond van artikel 405 Rv Pro toewijsbaar is. De vrouw heeft belang bij de vordering omdat zij behoefte heeft aan de alimentatie en het eerdere vonnis niet meer uitvoerbaar is. De Hoge Raad wees het verzoek van de man tot borgtocht af en gelastte de voorlopige tenuitvoerlegging van het hofarrest voor de alimentatiebetaling van ƒ 1.000 per maand vanaf de inschrijving van de echtscheiding.
Uitkomst: De Hoge Raad gelast de voorlopige tenuitvoerlegging van het hofarrest tot betaling van alimentatie van ƒ 1.000 per maand.