Uitspraak
de Chef van het bureau gemeentebelastingen van de gemeente [Q]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 30 augustus 1988 betreffende na te melden aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende was eigenaar van een pand met een perceel dat op de peildatum 1 januari 1983 verontreinigd was met lood en cadmium, maar deze verontreiniging werd pas in 1985 bekend. De aanslag onroerend-goedbelasting voor 1986 werd vastgesteld op basis van een heffingsgrondslag die door het hof was verlaagd vanwege deze bodemverontreiniging.
De chef van het bureau gemeentebelastingen stelde beroep in cassatie in tegen deze verlaging, stellende dat de waardevermindering niet meegewogen mocht worden omdat de verontreiniging op de peildatum niet bekend was en de heffingsgrondslag volgens de verordening gedurende vijf jaar vaststaat, tenzij er sprake is van bouwkundige wijzigingen.
De Hoge Raad overwoog dat de bodemverontreiniging op de peildatum bestond en dat het feit dat deze pas later bekend werd, niet uitsluit dat deze omstandigheid bij de waardebepaling per peildatum in aanmerking wordt genomen. De waardevermindering van f 15.000,-- werd als voldoende gemotiveerd en niet weersproken geacht.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de heffingsgrondslag dienovereenkomstig moest worden aangepast, ook al was de verontreiniging pas na de peildatum bekend geworden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bodemverontreiniging per peildatum een waardevermindering rechtvaardigt en verwerpt het cassatieberoep.