Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
‘’Belanghebbende, lid van de coöperatieve vereniging ‘’[A]'' heeft in het beroepschrift geen andere stellingen opgenomen dan die waren verwoord in het identieke beroepschrift van een ander lid, te weten [B], van deze coöperatieve vereniging.
Met betrekking tot die stellingen van [B] heeft dit Hof uitspraak gedaan; het tegen deze uitspraak gerichte beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 18 maart 1987, nr. 24.419. Ook met betrekking tot de stellingen van belanghebbende dient te worden overwogen dat aan de omstandigheden dat belanghebbende voor de arbeid welke hij verricht in dienst van de genoemde coöperatieve vereniging een beloning geniet, welke afhankelijk is van het resultaat van die vereniging, en dat hij als lid van bedoelde vereniging verplicht is in beperkte mate bij te dragen in eventuele tekorten van die vereniging, niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de inkomsten uit de voor de vereniging verrichte arbeid voor belanghebbende als winst uit onderneming zijn aan te merken. Belanghebbende verkeerde in dit opzicht niet in andere omstandigheden dan genoemde [B].
Na het vorengenoemde arrest van de Hoge Raad heeft belanghebbende medegedeeld het beroepschrift niet te willen intrekken omdat de positie van [B] anders is dan die van hem. Voorts heeft hij tegelijkertijd verzocht een conclusie van repliek te mogen indienen. Van de daartoe verleende toestemming heeft hij, zonder opgaaf van redenen, geen gebruik gemaakt.
De grief dat de positie van [B] afwijkt van die van hem berust blijkens de ter zitting gegeven toelichting daarop dat [B], anders dan belanghebbende, niet vanaf de oprichting lid is geweest van bedoelde coöperatieve vereniging. Deze grief moet worden verworpen aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat belanghebbende en [B] in het onderhavige jaar op wezenlijk andere basis hun arbeid ten behoeve van de vereniging verrichtten.
Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende voor het eerst de stelling aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de inspecteur met betrekking tot de vergelijkbare coöperatieve verenigingen [C] en [D] een ander standpunt heeft ingenomen.
Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij eerst twee dagen voor de zitting toestemming van deze verenigingen heeft ontvangen om de namen te noemen in de onderhavige procedure en dat hij lange tijd op deze toestemming heeft moeten wachten.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is voor het eerst ter zitting gedaan. Het is niet aangevoerd in het beroepschrift en van de verleende toestemming om een conclusie van repliek in te dienen is geen gebruik gemaakt. Belanghebbendes gemachtigde, die advocaat is, had moeten beseffen dat hij deze stelling in een eerder stadium van het geding had moeten inbrengen, zonodig zonder vermelding van namen, en dat hij door dit na te laten en zelfs de wederpartij daarvan niet op de hoogte te stellen, het risico nam dat zijn stelling als opzettelijk te laat voorgedragen door het Hof ter zijde zou worden gesteld.
De inspecteur heeft ter zitting niet anders kunnen reageren dan met de stelling dat op zijn inspectie niet een begunstigend beleid op dit punt wordt gevoerd, waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken. Of en zo ja waarom in de door de gemachtigde gestelde gevallen anders is gehandeld onttrekt zich - aldus de inspecteur - op de zitting aan zijn beoordeling. Indien al uit de gedane aangiften dan wel het dossier kan blijken dat het om vergelijkbare coöperatieve verenigingen gaat is de afwijkende behandeling toe te schrijven aan gemaakte fouten of vergissingen bij de aanslagregeling.
Deze weerspreking en de omstandigheid dat de stelling van de gemachtigde van belanghebbende op zichzelf niet aannemelijk is geven het Hof aanleiding op deze stelling niet in te gaan. Deze wordt door het Hof op grond van het vorenoverwogene als verwijtbaar te laat aangevoerd ter zijde gesteld.''