Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 16 mei 1988 betreffende de hem voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1981 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een verhoging wegens te late aangifte. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende voerde onder meer aan dat hij een onderneming dreef via een coöperatieve vereniging en dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel schond door hem anders te behandelen dan leden van vergelijkbare verenigingen.
Het Hof verwierp deze stellingen en bevestigde de aanslag. Belanghebbende stelde cassatie in met drie middelen: overschrijding van de redelijke termijn zoals vereist door artikel 6 EVRM Pro, het niet beslissen op het bezwaar tegen de verhoging, en onvoldoende motivering van het Hof over het gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad oordeelde dat de belastingverhoging als een strafrechtelijke sanctie moet worden beschouwd en dat belanghebbende recht heeft op een redelijke termijn, maar dat de vertraging mede aan belanghebbende zelf te wijten was. Het Hof had echter onterecht niet beslist op het bezwaar tegen de verhoging, waardoor het tweede middel gegrond werd verklaard. De klacht over de motivering werd verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. Tevens werd belanghebbende het betaalde recht voor cassatie vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.