Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 27 februari 1989 betreffende de aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, eigenaar en bewoonster van een pand waarin twee kamers aan prostituees werden verhuurd, gaf in haar aangifte inkomstenbelasting 1984 een lager bedrag aan huurinkomsten op dan de inspecteur aannam. De inspecteur verhoogde het belastbaar inkomen met een bijtelling voor de hogere huuropbrengst van de kamers.
Het hof achtte aannemelijk dat de huuropbrengst van de bel-etage hoger was dan opgegeven en concludeerde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor het beroep op dat punt moest worden afgewezen. Het hof beperkte de bijtelling tot een lager bedrag dan de inspecteur had vastgesteld en vernietigde de uitspraak van de inspecteur.
De Hoge Raad stelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door niet de aangifte als geheel te beoordelen en dat bij een aanzienlijk te lage aangifte het beroep moet worden afgewezen tenzij het tegendeel wordt bewezen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor herbeoordeling naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.
De zaak benadrukt de noodzaak van een integrale beoordeling van de aangifte en de bewijslast van de belastingplichtige bij een vermeende onvolledige aangifte volgens art. 29, lid 2, AWR.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar het gerechtshof te 's-Gravenhage met inachtneming van de juiste maatstaf voor de vereiste aangifte.