Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde verblijvende in het Huis van Bewaring te Groningen.
MIDDEL I
MIDDEL II
27 maart 1990.
Hoge Raad
Het Hof Leeuwarden heeft verdachte in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van valse Amerikaanse dollarbiljetten en valsheid in geschrift. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar met verbeurdverklaring. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met name stellende dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met een in Zwitserland opgelegde straf die krachtens internationale verdragen was omgezet in een Nederlandse straf.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof bij de strafoplegging inderdaad rekening had moeten houden met de geconverteerde buitenlandse straf op grond van het Europees Verdrag inzake overdracht van gevonniste personen en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat het cassatiemiddel faalt omdat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd en de strafoplegging niet onrechtmatig was.
Het hof had de verklaring van verdachte betreffende de lening en de waarde van de valse biljetten als hoogst onwaarschijnlijk beoordeeld, wat door de Hoge Raad werd bevestigd. Ook werd bevestigd dat een strafoplegging krachtens art. 31 Wet Pro overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen geen zelfstandige veroordeling inhoudt in de zin van art. 63 Sr Pro. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot één jaar gevangenisstraf blijft in stand.