Uitspraak
[woonplaats].
Delta Lloyd Schadeverzekering N.V., gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende aldaar aan de Spaklerweg 4.
22 mei 1990.
Hoge Raad
De zaak betreft een advocaat die namens zijn cliënt een bedrag van 375.000 gulden ontving van een verzekeraar ter uitbetaling aan die cliënt. De advocaat liet dit bedrag op zijn eigen rekening storten en gebruikte het voor eigen financiële doeleinden, zonder de cliënt hiervan op de hoogte te stellen. Hoewel de advocaat solvabel was en niet de intentie had het geld geheel niet uit te betalen, oordeelde het hof dat hij zich het geld had toegeëigend in de zin van artikel 321 Sr Pro.
De verdediging stelde dat het enkele niet tijdig uitbetalen van het geld geen toe-eigening oplevert zolang de advocaat solvabel is en het geld kan terugbetalen. De Hoge Raad overwoog dat het criterium van het hof te vaag was en dat de solvabiliteit van de houder doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van toe-eigening.
Desondanks concludeerde de Hoge Raad dat het hof op basis van de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte en bankafschriften, terecht had geoordeeld dat de advocaat het geld als heer en meester had beheerd en dit te eigen nutte had aangewend. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de advocaat tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens verduistering van 375.000 gulden.