ECLI:NL:HR:1990:ZC8648
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Bronkhorst
- Beekhuis
- Govaerts
- Neleman
- Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen voortgezette handeling bij valsheid in geschrift en oplichting
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en oplichting met betrekking tot de financiering en W.I.R.-premie van een motortankschip. Het hof Arnhem oordeelde dat de feiten niet als één voortgezette handeling konden worden beschouwd omdat zij op verschillende tijdstippen plaatsvonden en geen uiting waren van één ongeoorloofd wilsbesluit.
De raadsman van verdachte stelde in cassatie dat de feiten wel als voortgezette handeling moesten worden aangemerkt op grond van artikel 56 lid 1 Sr Pro, omdat de valsheid in geschrift en de oplichting samenhingen en het tijdsverschil niet relevant was. De Hoge Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie feiten van gelijke aard die voortkomen uit één wilsbesluit als voortgezette handeling kunnen worden gezien, ook als zij niet gelijktijdig zijn gepleegd.
Echter concludeerde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat de valsheid in geschrift en de oplichting geen uiting waren van één en hetzelfde wilsbesluit, mede vanwege het tijdsverschil en het verschillende oogmerk. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de veroordeling van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling wegens valsheid in geschrift en oplichting zonder toepassing van voortgezette handeling.