Uitspraak
[woonplaats].
5 maart 1991.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond centraal de vraag of het Openbaar Ministerie (OM) verplicht is om afwijkingen van het algemeen bekende vervolgingsbeleid te motiveren, met name bij de handel in softdrugs in coffeeshops in verschillende gemeenten. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard omdat het OM geen motivering had gegeven waarom in Amersfoort en Soest een ander vervolgingsbeleid werd gevoerd dan in Utrecht.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een motiveringsplicht aan het OM oplegde die niet in de wet is verankerd. Artikel 167 lid 2 Sv Pro geeft het OM beleidsvrijheid om al dan niet tot vervolging over te gaan zonder daarvoor verantwoording te hoeven afleggen. Wel kan onder omstandigheden op grond van algemene beginselen van een behoorlijke procesorde een motiveringsplicht ontstaan, maar het hof heeft dit niet voldoende onderbouwd.
Verder stelt de Hoge Raad vast dat het OM in Amersfoort en Soest een hogere prioriteit gaf aan vervolging van softdrugscoffeeshops dan in andere gemeenten, wat niet per definitie willekeurig of in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Het hof heeft zich eenzijdig gericht op verschillen in beleid zonder de gronden van het OM voor vervolging van verdachte te onderzoeken.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat het OM beleidsvrijheid heeft, maar dat toetsing aan beginselen van behoorlijke procesorde mogelijk blijft.
Deze uitspraak is van belang omdat zij de grenzen van de motiveringsplicht van het OM bij afwijkend vervolgingsbeleid verduidelijkt en het leerstuk van de algemene beginselen van een goede procesorde in het strafprocesrecht aanscherpt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting vanwege onjuiste motiveringsplicht opgelegd aan het OM.