Deze overweging heeft uiteindelijk geleid tot verwerping van het cassatieberoep tegen de beschikking van het Hof (waarbij klager en zijn echtgenote niet-ontvankelijk in hun hoger beroep waren verklaard) wegens het ontbreken van belang bij vernietiging van de in cassatie bestreden beschikking (de betrokken beschikking van de Hoge Raad is hiervoor onder 1.2 reeds genoemd).
[de kinderrechter] had evenwel, zij het te laat, op 7 april 1989 de beschikking tot ondertoezichtstelling verlengd, waarvan het Hof kennelijk niet op de hoogte is gekomen.
[de kinderrechter] heeft ter verklaring van het feit dat de betrokken beschikking tot ondertoezichtstelling te laat is verlengd, aangevoerd dat er destijds op het bureau van de vier kinderrechters in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam geen adequaat systeem bestond ter signalering dat en op welke datum uiterlijk een ondertoezichtstelling expireerde en dat daardoor de noodzaak om de betrokken beschikking vóór of op 3 april 1989 te verlengen, aan de aandacht is ontsnapt.
De Hoge Raad vindt dit een aannemelijke verklaring. Maar dit neemt niet weg dat de bewaking van termijnen als hier aan de orde tot de taak van de kinderrechter behoort en dat de kinderrechter dan ook onder omstandigheden in het kader van de artikelen 14a – 14e Wet RO kan worden aangesproken op verzuimen welke het gevolg zijn van ernstige lacunes in die bewaking.
Bij de beoordeling van de onderhavige klacht gaat de Hoge Raad er van uit dat de bij de verlenging van de ondertoezichtstelling opgetreden vertraging op zichzelf voor klager geen consequenties heeft gehad. Het Hof heeft immers de achteraf onjuist gebleken veronderstelling dat de ondertoezichtstelling na 2 april 1989 niet meer was verlengd, uitsluitend gebaseerd op de in 's Hofs beschikking vermelde, achteraf onjuist gebleken mededeling in een brief van de Raad voor de Kinderbescherming.
Onder deze omstandigheden is het verzuim in de termijnbewaking dat heeft geleid tot eerderbedoelde vertraging bij de verlenging van de ondertoezichtstelling van zo weinig gewicht dat er geen termen aanwezig zijn de klacht in zoverre gegrond te verklaren.
Bij de beoordeling van de klacht gaat de Hoge Raad er voorts van uit dat juist is de mededeling van [de kinderrechter] dat zij zich weliswaar bewust was dat klager en zijn echtgenote mogelijk eenmaal of meermalen appel hadden ingesteld tegen een of meer plaatsingsbeschikkingen, maar dat zij, vóórdat op 1 mei 1989 de desbetreffende beschikking werd gegeven, niet heeft geweten van de te dezen bedoelde appelprocedure, zodat zij ook niet wist dat op 7 april 1989 een raadkamerbehandeling zou plaatsvinden dan wel had plaatsgevonden.
Niet duidelijk is geworden hoe het telefoongesprek tussen [de kinderrechter] en de Raad voor de Kinderbescherming op 4 april 1989 is verlopen. [de kinderrechter] heeft verklaard te hebben gezegd dat zij de plaatsing niet zou laten voortduren maar niet paraat te hebben gehad hoe het met de ondertoezichtstelling stond, zodat zij naar haar beste weten daaromtrent geen mededeling heeft gedaan. De Hoge Raad acht het evenwel niet nodig de betrokken functionaris van de Raad voor de Kinderbescherming te dezer zake als getuige te horen omdat, zelfs als deze zou verklaren dat [de kinderrechter] hem op 4 april 1989 heeft meegedeeld dat de ondertoezichtstelling van [kind 1] niet was verlengd, zodanige mededeling op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een gedraging jegens klager in de zin van artikel 14a Wet RO. Voor het tegendeel zou nodig zijn dat voorzienbaar was dat de mededeling van [de kinderrechter] enige uitwerking ten aanzien van klager en zijn echtgenote zou hebben, maar daarvan is niet gebleken. In het bijzonder kon [de kinderrechter] niet voorzien dat de Raad voor de Kinderbescherming de betrokken mededeling zou ‘’doorgeven’’ aan het Hof in een procedure waarmee zij onbekend was. Vanwege die onbekendheid valt [de kinderrechter] evenmin te verwijten dat zij het Hof niet van haar beschikking van 7 april 1989 op de hoogte heeft gesteld.