ECLI:NL:HR:1991:AC0613
Hoge Raad
- Cassatie
- Vice-president Van den Blink
- Raadsheer Beekhuis
- Raadsheer Urlings
- Rechtspraak.nl
Onderzoek naar klachten tegen kinderrechter over termijnbewaking en communicatie bij ondertoezichtstelling
De Procureur-Generaal verzocht de Hoge Raad een onderzoek in te stellen naar mogelijke niet aanvaardbare gedragingen van een kinderrechter in Amsterdam, met betrekking tot de verlenging en beëindiging van een ondertoezichtstelling van minderjarigen. Klager had verschillende klachten ingediend, waarvan de Hoge Raad zich beperkte tot twee specifieke gedragingen.
De eerste klacht betrof de te late verlenging van een beschikking tot ondertoezichtstelling, die uiterlijk 3 april 1989 had moeten worden verlengd maar pas op 7 april 1989 met terugwerkende kracht werd verlengd. De Hoge Raad vond de verklaring van de kinderrechter aannemelijk dat er geen adequaat systeem was voor termijnbewaking, maar oordeelde dat dit verzuim onvoldoende gewicht had om de klacht gegrond te verklaren.
De tweede klacht betrof het niet informeren van klager over het voornemen tot beëindiging van de ondertoezichtstelling op 30 oktober 1989. De Hoge Raad achtte dit onzorgvuldig en oordeelde dat de kinderrechter had moeten inzien dat het niet informeren van klager een ernstige schok zou veroorzaken en dat zij klager op passende wijze had moeten informeren.
De Hoge Raad verklaarde de eerste klacht ongegrond en de tweede klacht gegrond. Het arrest werd gewezen door de vice-president Van den Blink en raadsheren Beekhuis en Urlings op 8 november 1991.
Uitkomst: Klacht over te late verlenging ongegrond; klacht over niet informeren gegrond verklaard.