Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 19 maart 1990 betreffende de hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak was belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting over 1982 in beroep gegaan nadat de Inspecteur de aanslag had gehandhaafd. Het Hof bevestigde de aanslag waarbij werd vastgesteld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan omdat hij inkomsten uit rente niet had opgegeven.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de omkering van de bewijslast bij het niet doen van de vereiste aangifte in strijd zou zijn met het zwijgrecht uit artikel 29 Sv Pro en het vermoeden van onschuld uit artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat de verplichting tot het doen van een juiste en volledige aangifte onverkort geldt, ook indien dit tot verdenking van een strafbaar feit kan leiden.
De Hoge Raad benadrukte dat het zwijgrecht en het vermoeden van onschuld niet inhouden dat een belastingplichtige niet gehouden kan worden tot het verstrekken van informatie die nodig is voor de vaststelling van zijn belastingschuld. De omkering van de bewijslast in artikel 29, lid 2, AWR is een administratief dwangmiddel gericht op correcte aangiften en staat los van strafrechtelijke bewijsvoering.
Het arrest bevestigt dat de strafrechter moet beoordelen of bewijs dat in de belastingprocedure is verkregen, in het strafproces kan worden gebruikt. De Hoge Raad verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de uitspraak van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de omkering van de bewijslast bij het niet doen van de vereiste belastingaangifte niet in strijd is met het zwijgrecht of het vermoeden van onschuld.