Uitspraak
25 januari 1991.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vordert het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) betaling van een bedrag dat verband houdt met invaliditeitspensioenuitkeringen aan een slachtoffer van een verkeersongeval. De aansprakelijke partij en het slachtoffer leven ongehuwd samen en voeren een gemeenschappelijke huishouding. Het ABP stelt een verhaalsrecht op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA) tegen de aansprakelijke partner.
De rechtbank en het hof hebben het verweer van de aansprakelijke partner gehonoreerd dat het verhaalsrecht niet geldt in situaties van ongehuwd samenwonen met gemeenschappelijke huishouding, omdat het verhaal anders ten koste zou gaan van het slachtoffer zelf. Het hof motiveerde dat het bedrag dat de aansprakelijke partner aan het ABP zou moeten betalen feitelijk uit gezamenlijke inkomsten, waaronder de uitkeringen aan het slachtoffer, zou worden voldaan.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de overwegingen die gelden voor gehuwden ook van toepassing zijn op ongehuwd samenwonenden met een gemeenschappelijke huishouding. Hierdoor wordt voorkomen dat het slachtoffer feitelijk wordt ontnomen van zijn uitkeringen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het bestaan van een aansprakelijkheidsverzekering geen invloed heeft op het verhaalsrecht in deze context.
Het beroep van het ABP wordt verworpen, waarmee het verhaalsrecht in deze situatie wordt beperkt. De Hoge Raad veroordeelt het ABP tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het verhaalsrecht van het ABP wordt beperkt bij ongehuwd samenwonen met gemeenschappelijke huishouding, waardoor de vordering wordt afgewezen.